PESTVOGEL

 

Pestvogel

 

Ik herinner me nog als de dag van gisteren dat ik (in 1991) een zwerm pestvogels zag neerstrijken in de bomen en struiken op zo'n 30 meter afstand van mijn kantoor in Groningen. Met een grote zwerm vogels bedoel ik hier een aantal van ca. 30 - 40 vogels. Nooit eerder had ik een pestvogel in het wild mogen aanschouwen en nu zag ik zomaar een aantal van rond de 30 à 40. Ik kan u verzekeren dat dit voor mij als vogelliefhebber een geweldige ervaring is geweest.

 

Trouwens, ook voor de niet (echte) vogelliefhebber moet een dergelijke ervaring wel iets bijzonders zijn. Helaas heb ik maar kort van deze mooie vogels kunnen genieten omdat ze na enkele minuten al weer verder vlogen.

 

Vanaf die tijd heb ik veel over deze prachtige vogel gelezen en ik vind dan ook dat hij niet mag ontbreken op Geschiedenis

Voor het verklaren van de naam pestvogel is het nodig even in de geschiedenis te duiken.

Het gedrag van dieren heeft ons mensen altijd al beziggehouden. In mythen en sagen, die uit overlevering zijn opgetekend, zijn hiervan legio voorbeelden te bedenken. Hoeveel mensen zien niet in de V-vorm van een vlucht trekkende ganzen de voorspelling van een strenge winter? En is het niet zo, dat velen in het zien van de eerste zwaluw in het voorjaar, de voortekenen zien van een mooie lente? Vooral vroeger, toen nog niet alles wetenschappelijk werd gestaafd, werd het gedrag van dieren vaak in verband gebracht met bepaalde gebeurtenissen. Zo dacht men vroeger van de pestvogel, dat het toch geen toeval kon zijn dat er nogal eens een pestepidemie uitbrak nadat in de winter grote zwermen gekuifde vogels, die men anders zelden of nooit zag, in de buurt van de huizen waren gesignaleerd. Niemand kon toen nog weten dat die eigenlijk zo vreedzame vogel niets met die gevreesde ziekte te maken had, maar door voedselschaarste in zijn noordelijk woongebied uitzwermde naar zuidelijker streken. Toch is het deze onwetendheid geweest, die er de oorzaak van is geweest, dat de vogel in Nederland de naam pestvogel kreeg toebedeeld.

Wat het uiterlijk van de vogel betreft benadert de Engelse naam 'waxwings' veel meer de werkelijkheid. Vrij vertaald betekent waxwing zoiets als, met zegelwas bedrukte vleugel. Nu ik deze vogel in werkelijkheid heb mogen aanschouwen kan ik u verzekeren, dat deze benaming aan de vogel veel meer recht doet, dan de Nederlandse benaming. Nee, wat zijn naam betreft heeft deze vogel het in Nederland niet getroffen. Alvorens de vogel te beschrijven dient u te weten, dat er drie soorten worden onderscheiden.

 

De verschillende soorten en hun verspreidingsgebied

 

De pestvogel wordt gerekend tot het geslacht Bombycillinae. Er worden drie soorten pestvogels onderscheiden, te weten:

 

1. de Bombycilla garrulus (="gewone" pestvogel)

2. de Bombycilla japonica (= Japanse of Siberische pestvogel)

3. de Bombycilla cedrorum (= Ceder pestvogel).

 

1. De Bombycilla garrulus

Met de Bombycilla garrulus wordt over het algemeen de "gewone" pestvogel bedoeld. De Bombycilla garrulus is dan ook de meest verspreide van de drie soorten. Het is ook deze soort geweest die op 11 december neerstreek in de beurt van mijn kantoor.

De "gewone" pestvogel komt voor in Noord Europa, Noord Azië en Noord-Amerika. Geografisch worden er van de Bombycilla garrulus drie ondersoorten onderscheiden.

Het verenkleed van de gewone pestvogel is zacht en meest bruin, grijsbruin en roodbruin van kleur. De keel van de vogel is zwart evenals de vleugel- en staartpennen. De uiteinden van de staartveren zijn geel. Verder heeft de Bombycilla garrulus een gele en witte vleugeltekening waarin ook nog wat rood voorkomt. Op de kop bezit de pestvogel een naar achteren gerichte kuif, die grijsachtig bruin van kleur is. De vogel heeft een zwarte oogstreep, die begint boven de snavel en vervolgens doorloopt tot achter het oog.

Deze soort is ca. 20 cm. groot.

 

 

2. De Bombycilla japonica

Uit de Nederlandse benaming valt al op te maken waar we het verspreidingsgebied van deze soort ongeveer moeten zoeken. De Bombycilla japonica is inheems in oostelijk Siberië. Alhoewel de naam anders doet vermoeden schijnt Japan slechts zeer onregelmatig, en alleen in de wintermaanden, door hem bezocht te worden. Met name wordt het westelijk deel van Japan dan bezocht.

Van deze soort worden in de literatuur verder geen ondersoorten vermeld.

De algemene lichaamskleur van de Japanse of Siberische pestvogel is, net als de bij de "gewone" pestvogel overwegend bruin, grijsbruin en roodbruin. De Japanse pestvogel is vooral te herkennen aan de roodkleurige

staartuiteinden. De keel van de vogel is

zwart. De staartpennen zijn overwegend zwart. De uiteinden van de staartpennen zijn, zoals reeds aangegeven rood. De vleugelpennen zijn grijsachtigblauw met zwart.

 

Verder heeft de Bombycilla japonica een gedeeltelijke rode en witte vleugeltekening.

De vogel bezit een zwarte oogstreep, die begint boven de snavel en verder rondom het oog doorloopt naar achteren. Op de kop is een naar achteren gerichte kuif aanwezig, die donkergrijsachtig bruin van kleur is.

De Japanse of Siberische pestvogel is ongeveer 18 cm. groot.

 

3. De Bombycilla cedrorum

De Bombycilla cedrorum of wel Ceder pestvogel is van Noordamerikaanse afkomst. Verder bezoekt hij, zij het onregelmatig, in het winterseizoen gebieden ver naar het zuiden, zoals bijvoorbeeld de Caribische Zee. Van de Ceder pestvogel worden in de literatuur geen ondersoorten vermeld. De algemene lichaamskleur van de Ceder pestvogel is, net als bij de twee andere soorten, overwegend bruin, grijsbruin en roodbruin. De Ceder pestvogel mist de witte en gele vleugeltekening die bij de andere twee soorten wel aanwezig is. De staartuiteinden van de Ceder pestvogel zijn, even als bij de gewone pestvogel, geel van kleur. De kleur van de borstbevedering loopt van grijsachtig blauw over naar bruinachtig geel op de buik en rond de poten. De vogel bezit een zwarte oogstreep, die begint boven de snavel en vervolgens doorloopt tot achter het oog. Op de kop is een naar achteren gerichte kuif aanwezig, die overwegend bruinachtig van kleur is.

De Ceder pestvogel is ca 16 cm. groot en is dus de kleinste van de drie te onderscheiden soorten.

 

Algemene kenmerken

Bij alle drie de soorten zijn de handpennen verlengd met rode, druppelvormige punten, die lijken op plaatjes zegelwas.

Door dit gegeven wordt direct de Engelse naam `waxwing' duidelijk.

Vreemd genoeg blijken deze rode, druppelvormige punten niet bij alle enkelingen voor te komen! Pestvogels hebben een korte, brede, licht gehaakte snavel en korte, stevige poten. De vrouwtjes van de drie soorten zijn over het algemeen wat matter van kleur. Ook de rode veerpunten zijn bij de vrouwtjes minder sterk ontwikkeld.

 

Leefmilieu

Pestvogels zijn vogels van de noordelijke bossen en dan in het bijzonder naaldbossen. Ze houden zich bij voorkeur op in dichte naaldbossen met hoge bomen en een onderbegroeiing van besdragende struiken. Daarnaast worden ze ook regelmatig gesignaleerd aan de randen van moerassen en aan de oevers van rivieren, mits daar maar voldoende insekten aanwezig zijn.

Pestvogels zijn in staat om buitengewoon

strenge en lange winters rond en boven de poolcirkel te overleven. Ingeval van voedsel tekorten ondernemen ze trektochten naar het westen, zuiden of oosten.

Doordat het beschikbaar zijn van voldoende voedsel van jaar tot jaar sterk kan verschillen worden de pestvogels in bepaalde landen zeer onregelmatig waargenomen. Ingeval van voedseltekorten kunnen de trektochten van de gewone pestvogel (Bombycillinae garrulus) zich uitstrekken tot landen als Nederland, België en de Britse eilanden.

 

Broedproces

Pestvogels houden er geen uitgesproken eigen territorium op na. Toch verdedigen ze, indien noodzakelijk, wel hun nest. Veelal paren meerdere paren in elkaars nabijheid.

Mannetjes in broedconditie zetten bij de balts de veren van de onderste deel van de rug en de stuit op, waardoor een grote opvallende bult ontstaat. Ook de veren van de kuif alsmede die van de buik worden tijdens de balts opgericht. De staart van het mannetje wijst tijdens dit baltsgedrag naar beneden. Bij dit alles wordt de kop enigszins van het popje afgewend. Indien een popje, een mannetje "wel ziet zitten" zal ook zij deze houding aannemen.

Vervolgens biedt het mannetje met de punt van de snavel iets lekkers aan (bijvoorbeeld een besje of insect) dat dan door het vrouwtje wordt geaccepteerd.

Pestvogels bouwen komvormige nesten in bomen. De hoogte waarop deze nesten worden gebouwd varieert van 1 tot 6 meter. Als nestmateriaal gebruikt de pestvogel veelal grote hoeveelheden twijgen. Het nest wordt bekleed met mos en vezels, waaraan verder nog gras en veren zijn toegevoegd.

Het nest wordt door beide partners vervaardigd.

Een legsel bestaat meestal uit 3 tot 6 eitjes. De eitjes zijn grijsachtig-blauw van kleur en hebben een diepzwarte tekening.

De eitjes worden ongeveer 14 dagen door het popje bebroed. Tijdens die periode wordt ze door het mannetje op het nest gevoerd. De jongen worden vrijwel naakt geboren en worden door beide oudervogels grootgebracht. Vooral in het begin bestaat het voedsel van de jongen voornamelijk uit insecten (eiwitrijk!).

Als de jonge vogels ongeveer twee weken oud zijn verlaten ze het nest en worden daarna nog enige tijd door beide ouders gevoerd.

In gevangenschap kan het best een komvormig nest (bijvoorbeeld gemaakt van een zwarte plastic bloempot waar een stuk vanaf is gesneden - zie Onze Vogels, pag. 136, jaargang 1978) worden gegeven.

Jonge pestvogels zijn overwegend grijs. De kuif is al vroeg te herkennen. Tegen de tijd dat ze uitvliegen zijn ze licht gestreept op de borst. Ook zijn bij de jongen, de zo kenmerkende rode druppelvormige punten op de handpennen, al in het nest te onderscheiden. Hetzelfde geldt voor de rode of gele kleur aan de uiteinden van de staartpennen. Ingeval jongen in gevangenschap worden geboren moeten ze geringd worden met ringen van 3,5 mm.

 

Voedsel

In de zomer eten de vogels voornamelijk insecten, maar in de herfst en winter bestaat het menu voornamelijk uit bessen. In het geval van de gewone pestvogel betreft dit in het bijzonder de lijsterbes.

In gevangenschap kunnen we het volgende voedsel aan de pestvogel verstrekken:

- Goed insectenvoer, aangevuld met levende insecten zoals muggen, larven, meelwormen, maden e.d.

- Universeelvoer

- Krenten en rozijnen

- Fruit (appel, peer, druiven, banaan e.d.)

- Bessen (bessen van lijsterbes, meidoorn, vuurdoorn, cotoneaster, rozebottels e.a.)

- Groenvoer (sla, andijvie, witlof, vogelmuur e.d.).

 

De opfok van jonge vogels zal alleen succesvol zijn als de vogels in voldoende mate kunnen beschikken over levend voer.

Pestvogels blijken verder graag te baden. Een ruime badplaats is dan ook een vereiste.

Het spreekt voor zich dat de vogels elke dag over schoon drinkwater moeten kunnen beschikken.

 

Kweekresultaten in gevangenschap

Volgens de heer C. van Berkel (oud redacteur maandblad "Onze Vogels" zijn in de volière al meerdere geslaagde kweekresultaten behaald, waaronder o.a. met de 'gewone' pestvogel. De literatuur die mij ten dienste stond maakt echter alleen melding van succesvolle broedresultaten met de Ceder pestvogel.

 

Tot zover mijn verhaal over de pestvogel. Misschien dat het geluk u ook een keer toelacht en dat een zwerm pestvogels precies neerstrijkt in uw gezichtsveld. U heeft door het lezen van deze webpagina kunnen zien waar zoiets toe kan leiden.mijn vogelsite.

 

 

<MAN - POP >

De Koninklijke Vogelvrienden Essen